Vragen

Vragen

A. Een diepgaand wantrouwen en achterdocht ten opzichte van anderen waardoor hu beweegredenen worden geïnterpreteerd als kwaadwillig, beginnend in vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties zoals blijkt uit vier (of meer) van de volgende:

  1. vermoedt, zonder gegronde redenen, dat anderen hem of haar uitbuiten, schade berokkenen of bedriegen
  2. wordt geheel gepreoccupeerd door ongerechtvaardigde twijfels aan de trouw of betrouwbaarheid van vrienden of collega's
  3. neemt anderen met tegenzin in vertrouwen, op grond van de ongerechtvaardigde vrees dat de informatie op een kwaadaardige manier tegen hem/haar gebruikt zal worden
  4. zoekt achter onschuldige opmerkingen of gebeurtenissen verborgen vernederingen en bedreigingen
  5. is halsstarrig rancuneus, dat wil zeggen vergeeft geen beledigingen, aangedaan onrecht of kleineringen
  6. bespeurt kritiek, voor anderen niet duidelijk herkenbaar, op zijn of haar karakter of reputatie en reageert snel met woede of tegenaanval
  7. is terugkerend achterdochtig, zonder rechtvaardiging, betreffende de trouw van de echtgenoot of partner

B. Komt niet uitsluitend voor in het beloop van schizofrenie, een stemmingsstoornis met psychotische kenmerken of een andere psychotische stoornis en is niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een somatische aandoening.