Vragen

Vragen

A. Een diepgaand patroon van afstandelijkheid in sociale relaties en beperkingen inhet uiten van emoties in intermenselijke situaties (sociaal contact), beginnend in vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties zoals blijkt uit vier (of meer) van de volgende:

  1. heeft noch behoefte aan, noch plezier in hechte relaties, inclusief het tot gezin of familiebehoren
  2. kiest vrijwel altijd activiteiten die alleen gedaan moeten worden
  3. heeft weinig of geen belangstelling voor seksuele ervaringen met een ander
  4. beleeft weinig of geen genoegen aan activiteiten
  5. heeft geen intieme vrienden of vertrouwelingen buiten eerstegraads familieleden
  6. lijkt onverschillig voor lof of kritiek van anderen
  7. het affect (gevoel) is emotioneel kil, afstandelijk of afgevlakt

B. Komt niet uitsluitend voor in het beloop van schizofrenie, een stemmingsstoornis met psychotische kenmerken, een andere psychotische stoornis of een pervasieve ontwikkelingsstoornis en is niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een somatische aandoening.