Vragen

Vragen

A. Een diepgaand patroon van sociale en intermenselijke beperkingen gekenmerkt door een acuut gevoel van ongemak bij, en een verminderd vermogen tot, het aangaan van intieme relaties, en ook door cognitieve en perceptuele vervormingen en eigenaardigheden in het gedrag, beginnend in vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties zoals blijkt uit vijf (of meer) van de volgende:

  1. betrekkingsideeën (met uitsluiting van betrekkingswanen)
  2. eigenaardige overtuigingen of magische denkbeelden, die het gedrag beïnvloeden en die niet in overeenstemming zijn met de eigen subculturen (bijvoorbeeld bijgelovigheid, geloof in helderziendheid, telepathie of "zesde zintuig"; bij kinderen en adolescenten bizarre fantasieën of preoccupaties)
  3. ongewone perceptuele waarnemingen, met inbegrip van illusies
  4. merkwaardige gedachten en spraak (bijvoorbeeld vaag, wijdlopig, metaforisch, met een overmaat aan details, of stereotiep)
  5. achterdocht of paranoïde ideeën
  6. inadequaat of ingeperkt affect (gevoelsleven)
  7. zonderling, excentriek of vreemd gedrag of uiterlijk
  8. heeft geen intieme vrienden of vertrouwelingen buiten eerstegraads familieleden
  9. buitensporige sociale angst die niet afneemt in een vertrouwde omgeving en die eerder de neiging heeft samen te gaan met paranoïde angst dan met een negatief oordeel over zichzelf

B. Komt niet uitsluitend voor in het beloop van schizofrenie, een stemmingsstoornis met psychotische kenmerken, een andere psychotische stoornis of een pervasieve ontwikkelingsstoornis.